Haar Cadeau

Ik reed naar haar grote huis vlak bij het bos. Ik was iets te vroeg, het was nog geen vier uur. Ik parkeerde mijn auto naast het huis en wilde aanbellen toen ik me bewust werd van de aanwezigheid van een donkere auto op het tuinpad. Een te grote discrete auto met donkere ramen. Ik schrok. Ik was te laat. Het was gebeurd. Ze was dood.

Andere artikelen door Margriet Bordes (Schrijfster)

Kortgeleden hadden we nog samen over de hei gelopen. Zij met  haar kleine hondje, ik met mijn grote honden. Ze woonde in een schitterend huis. Ik had mijn auto voor haar tuin geparkeerd en wilde net voorkomen dat de eerste plas van mijn honden tegen haar prachtige sering werd gedaan, toen zij naar buiten kwam. We raakten aan de praat en liepen samen het bos in. Het was een aangename kennismaking en vanaf dat ogenblik werden we in zekere zin vriendinnen. Ik belde, als ik in "haar bos" ging wandelen, bij haar huis aan om te vragen of ze mee wilde lopen. Dat deed ze, weer of geen weer. "Kom Sam," porde ze haar hondje dan op,"we lopen even met Margriet mee."

In de loop der jaren groeide deze gewoonte naar een vast ritme van eens per week. Tijdens onze wandelingen praatten we over muziek, toneel, haar tuin en haar vroegere carrière. Het bleek een ontwikkelde vrouw te zijn, die haar leven hard had gewerkt in de chemische industrie en nu, in gezelschap van haar hondje, van haar pensioen genoot. Ze was zo'n oud guitig dametje, fier, trots, verzorgd, eigenlijk zo een als ik later ook hoop te worden.

Ze werd me dierbaar in de loop der tijd. Ze vertelde me weinig echt persoonlijke dingen, maar onze gesprekken hadden altijd diepgang en ze stimuleerde me om goed over bepaalde zaken na te denken. Na een wandeling namen we buiten afscheid, ik stapte in mijn auto, zij ging haar huis binnen. Ik ben nooit bij haar thuis geweest realiseer ik me nu. Na de wandeling gingen we elk onze eigen weg.

Het was de afgelopen lente dat ze ineens toch iets persoonlijks kwijt wilde. "Ik heb je boek gelezen," zei ze, "over een zachte dood. Ik heb er goed over nagedacht. Als Sam er niet meer is hoeft het leven niet meer voor mij, dan is het wel klaar. Ik kan geen nieuwe hond meer nemen, die overleeft mij. Ik verlies mijn vrienden om me heen en ik word zelf ook een beetje krakkemikkig." Ik luisterde en zei niets. Ze was uitermate helder in haar betoog, ze formuleerde goed. "Wat vind je ervan?" vroeg ze me. Ik antwoordde dat ik het heel goed begreep, maar dat ik me afvroeg of ze misschien, als Sam er niet meer zou zijn, zou willen verhuizen naar een klein luxueus appartement waar ze enige verzorging zou kunnen krijgen en waar ze mensen om zich heen zou hebben.
Ze keek me alleen maar aan. "Ik had je wijzer gedacht," was het enige dat ze zei. Ik wist het. Ze zou het grote huis nooit verlaten. Ze heeft me ooit eens verteld hoe ze haar huis had ingedeeld. In de ene kamer had ze een klerenkast, in een ander een kast voor haar schoenen. In een derde haar boekenkast en in een vierde stonden al haar CD's. En sinds enige tijd stonden in de vijfde kamer haar computers. Eén voor internet, één voor de brieven die ze elke dag typte. Aan haar zuster in Nieuw zeeland. Ze wilde er niet van weten dat het ook allemaal op een computer zou kunnen. Dan was er nog een ontbijtkamer, een wijnkamer en een kamer waar ze na het eten haar sigaartje rookte. Avondeten deed ze in de keuken. Elke dag struinde ze alle kamers af zodat het huis goed gebruikt bleef.

Het was duidelijk: ze zou nooit kunnen aarden in een appartement met twee of drie kamertjes.

"Ik wil er op enig moment gewoon uit kunnen stappen," vervolge ze. "zonder er iemand mee lastig te vallen. Ik hoef geen arts aan mijn bed, ik wil zelf het allemaal zelf beslissen. En belangrijker: ik wil het ook zelf doen. Precies zoals jij voorstaat in je boek." Het leek een beetje bizar om op een zonnige lentedag over haar dood te spreken. En toch begreep ik haar wens om zelf te kunnen beschikken over het einde zo goed. Ze was haar hele leven zo zelfstandig geweest, ze wilde die laatste beslissing ook zelf nemen en uit kunnen voeren.

"Dat zal niet meevallen," zei ik. "je gaat niet zomaar dood en je bent niet ziek, dus er zal geen arts zijn die je helpt met sterven. Je zult geen euthanasie krijgen." "Klopt," zei ze, "maar ook als ik wel ziek ben helpen ze me niet. Althans niet op mijn moment, niet wanneer ik dat wil. Je bent aan de goden of liever gezegd aan de artsen overgeleverd, je hebt het aan het einde van je leven niet meer voor het zeggen. De artsen beslissen, niet jijzelf. Dat weet jij als geen ander, gezien je boek."
We zijn die middag, geheel tegen onze gewoonte in, op een bankje gaan zitten. Ze vertelde me dat ze voorbereid was op het moment dat ze niet meer zou willen leven."Ik heb wat oude collega's bezocht en ik heb alle spullen in huis. Mijn einde is verzekerd. Heb ik na al die jaren nog steeds wat aan mijn vroegere carrière!"

Het gesprek heeft me lang beziggehouden. Niet omdat ik haar van gedachten wilde doen veranderen. Ik vind dat iedereen het recht heeft om over zijn eigen leven en zijn eigen dood te beschikken. Maar ik was benieuwd of ze er nog op terug zou komen. Of ze mij zou aankondigen dat haar moment gekomen was. En of ik niet moest aanbieden bij haar te zijn opdat ze niet alleen en in eenzaamheid zou hoeven sterven.

Gisteren belde ik weer bij haar aan voor onze wekelijkse wandeling. Ze deed open. Ik schrok. Ze zag er verschrikkelijk uit. Dikke ogen, bleke wangen, blauwe aders in haar hals. "Sam is heel erg ziek," zei ze,"de dierenarts is er nu. Ik wandel niet. Als je me wilt excuseren." Ze keek me aan. Wat was ze kwetsbaar. "Kan ik iets voor je doen?" vroeg ik. Ze dacht even na en leek kracht te verzamelen. "Jazeker," sprak ze, "jazeker. Wil je morgen terugkomen? Zo rond een uur of vier? Dat zou mij erg gerust stellen." Ik pakte haar beide handen en omvatte ze met al mijn liefde. Ik keek en vertrok. "Tot morgen, sterkte."
Ik liep het tuinpad af.

De volgende dag was ik er, rond vier uur.
Te laat, of nee, keurig op tijd. De deur stond open. Er kwam een meneer naar buiten. "Bent u familie?" vroeg hij. "Nee", zei ik, "een vriendin. We wandelen altijd samen met de hond. Ik haal haar op om…." Ik keek de man aan. Donker pak, uitgestreken gezicht. Het leek wel een begrafenisondernemer. "Mevrouw, ik heb slecht nieuws voor u. Komt u even binnen."
Ik deed wat ik nog nooit had gedaan, ik ging haar huis in. De meneer leidde me naar wat ik meende te ruiken, de sigarenkamer. Daar zat ze, rustig, keurig gekleed, een doosje sigaren naast haar stoel. Dood.

Ik keek naar haar met een intens gevoel van verdriet en blijdschap tegelijkertijd. Ze zag er zo kwetsbaar, eenzaam maar zo tevreden uit. Ik raakte haar wang aan; ze was al helemaal koud. "Mevrouw moet vannacht al zijn gestorven. Ze heeft me gistermiddag gebeld. Ik had een afspraak met haar om half vier, ze wilde met me praten over haar uitvaart. Ze wilde weten wat er allemaal geregeld moest worden. Toen ze niet reageerde op de deurbel, ben ik maar naar binnen gelopen, want de deur stond op een kier. Ik heb haar net gevonden..." De arme man was geschokt. Hij ging naast haar zitten. "De arme", zei hij, "ze heeft zich waarschijnlijk van het leven beroofd."

Ik keek om me heen, nergens een hondenmand. Geen kleedje, geen hondenspeeltje. Geen spoor meer van Sam. Ik ging naast de man en mijn vriendin zitten. Ik pakte haar hand.
"Nee," zei ik, "ze heeft zichzelf niet van het leven beroofd, ze heeft zichzelf iets gegeven, ze heeft zichzelf de dood geschonken."

Reacties

Hallo Margriet, Wat een indrukkend verhaal over jouw vriendin. Kippenvel, zoals je eindigt met jouw laatste zin! Wat een krachtige vrouw, die vriendin ! Sinds het overlijden van mijn man; eind volgende maand twee jaar geleden, sta ik totaal anders in het leven. Ik ben geraakt door jouw bovenstaande column en de manier waarop je schrijft! Lisa
Fout in de eerste zin van bovenstaande reactie; 'indrukkend' moet zijn 'indrukwekkend'.

Reactie plaatsen

Image CAPTCHA
Voer de code van de bovenstaande afbeelding in.