Ondersteboven

Ik lag ondersteboven in bed. Mijn voeten op het kussen, mijn hoofd bij het voeteneind. Ik werd wakker van de kou. Mijn dekbed had mij in mijn nachtelijk verhuizing niet gevolgd. Mijn bed was een hondenmand geworden.

Andere artikelen door Margriet Bordes (Schrijfster)

Die staat was volkomen in lijn met mijn geestestoestand: een warboel. Ik herkende de symptomen: ik had het te druk en ik moest dringend voor ontspanning zorgen.

Ik trok het dekbed ver over mijn hoofd in een poging warm te worden en dacht aan de afgelopen weken. Ik had heel hard gewerkt en had ook in de weekends veel afspraken gehad. Vroeger was dat geen enkel probleem, dan kon je de hele wereld aan. Maar met het verstrijken van de jaren moest ik na een zware werkweek eigenlijk met een boekje op de bank gaan zitten om even bij te komen.

Maar ja, de schoolreünie die afgelopen weekend op de agenda had gestaan was echt te leuk om te laten schieten. Bijna 30 jaar geleden deed ik eindexamen en ik wilde graag weer eens terug in de tijd. Dus ging ik op mijn vrije zaterdag naar mijn oude dorp, ontmoette ik mijn oude vrienden waarvan sommigen inmiddels buikjes en grijze haren hadden gekregen. Maar het aardige was dat er, als je hen in de ogen keek, niets was veranderd. We pakten moeiteloos de draad van weleer weer op en reageerden puberaal toen we met onze oude klas op de foto moesten en niet naar de instructie van de fotograaf wilden luisterden. “Dames en heren, opstellen alstublieft!” Na enig gedoe stonden we uiteindelijk goed opgesteld en keken we braaf naar het vogeltje. “SMILE!” riep de fotograaf. Op dat moment flitste het door me heen: ik miste iemand. Waar was Michiel? Mijn lieve klasgenoot met zijn helblauwe ogen, die me altijd hielp als ik weer eens te laat was, mijn boeken was vergeten of mijn gymspullen kwijt was. Hij was een meester in het bedenken van smoezen, hij leende me zijn boeken en veel te grote trainingsbroek als dat nodig was. Maar het belangrijkste in onze vriendschap was dat hij zo ontzettend goed kon relativeren. Hij had de gave om mijn zorgen als sneeuw voor de zon te laten verdwijnen.

Ik had hem na school uit het oog verloren omdat hij naar het buitenland was verhuisd. Maar de berichten waren goed, hij zou een bloeiende carrière als psychiater hebben opgebouwd en ik zag hem in die rol ook helemaal voor me. Ik vroeg de klasgenoot die naast me zat te glimlachen naar de camera of zij wist hoe het met Michiel was. “Heb je het niet gehoord?” fluisterde ze.  “Hij is vorig jaar zomer gestorven, zo ineens, binnen een maand weg, een of andere vreselijke parasiet.” “Smile!” herhaalde de fotograaf. Ik probeerde het, maar meer dan een strakke glimlach kon ik niet tevoorschijn toveren. Hoe was het mogelijk, mijn steun en toeverlaat van vroeger, geveld door een parasiet?

Later, toen de fotograaf zei tevreden te zijn over het resultaat en we weg mochten, hoorde ik meer details over zijn dood. Ik was geschokt door het nieuws, maar werd opgevrolijkt door alle leuke herinneringen aan hem die we ophaalden. Aan het einde van de reünie waren oude vriendschappen nieuw leven ingeblazen, e-mail adressen uitgewisseld en was de afspraak gemaakt om snel weer eens samen te komen.

Ik kon die nacht slecht slapen. Ik lag aan Michiel en  mijn oude vrienden te denken. Aan mijn huidige leven, mijn jeugd, de dromen van vroeger, aan mijn idealen. Ik kreeg mijn hoofd niet stil. De gedachten bleven maar rondtollen.

“Je lag weer ondersteboven,” zei mijn man de volgende ochtend. “Je moest het vandaag maar een beetje rustig aan doen.” Hij kende me als geen ander en ik volgde zijn raad op. Buiten zijn deed mij altijd goed. Ik ging in de tuin werken. Ik harkte wat bladeren bijeen, knipte hier en daar wat dode takken weg en genoot van een onverwachte herfstzon. Mijn honden speelden om me heen en mijn hoofd kwam enigszins tot rust.

Ik werd in deze vredige stilte gestoord door de heldere stem van een klein meisje. “Mag ik je honden aaien?” vroeg ze. Ik keek in een wit elfengezichtje, grote helblauwe ogen, lang golvend haar en een prachtige dieprode lange jas. “Natuurlijk, aai ze maar.” Ik zag hoe ze, amper een paar turven hoog, zonder enige angst op mijn grote honden afstapte en ze door hun krullen kroelde. “Wie ben jij?”  vroeg ik. “Ben je hier op bezoek?” “Ja”, zei het meisje, “mijn ouders zijn even hiernaast, maar ik hoefde niet mee naar binnen, ik mocht buiten blijven.” Ze babbelde er op los. Ze gebruikte mooie woorden en formuleerde goed. Afgaand op haar taalgebruik moest ze wel een jaar of tien zijn, maar ze was nog zo klein.

“Hoe oud ben jij? vroeg ik haar. “Elf” antwoordde ze, “maar ik ben te klein voor elf. Dat komt omdat ik ziek ben. Ik heb een parasiet in mijn lichaam en er is geen medicijn tegen.” Ze zei het rustig, maar ik schrok ervan. Ze merkte het. “Geeft niets hoor,” zei ze. “Ik word wel beter. Gewoon een kwestie van tijd. Ik moet af en toe rust te nemen. Dan ga ik niet naar school. Ik groei ondersteboven. Ik was een enorme baby en nu lijkt het wel of ik steeds kleiner word. Maar Mama zegt altijd: het is zoals het is, tobben helpt niet, rust wel. Het komt allemaal wel goed.” Ze speelde een poos om me heen, praatte tegen mijn honden tot ze iemand hoorde roepen. Zo plotseling als ze was gekomen, zo plotseling verdween ze.

Ik harkte in gedachten verder. Toen ik even niet oplette zag ik de komende week voor me, teveel afspraken, teveel werk. Ik kreeg het Spaans benauwd. Paniek kwam bovendrijven. Toen dacht ik aan Michiel en aan het meisje. Ze zouden het eens zijn met elkaar:  “het is zoals het is. Tobben helpt niet, rust wel.” Ik zag de lach van Michiel voor me, de helblauwe ogen van het meisje. Het leek wel of ze me iets wilden vertellen. Ik luisterde, zette mijn hark tegen een boom, ging in een oude tuinstoel zitten en dommelde met mijn honden aan mijn voeten  glimlachend in slaap.

Bron afbeelding: Margriet Bordes

Reactie plaatsen

Image CAPTCHA
Voer de code van de bovenstaande afbeelding in.